maandag 19 augustus 2019

Michel Wuyts al te lyrisch 
over zijn idool Peter Sagan
Michel Wuyts is altijd omstreden geweest, daar is niets mis mee. De kritiek op zijn spraakwatervallen is de jongste maanden nog aangezwollen. Ik zou één van de laatsten zijn om Michel afvallig te zijn maar na de Tour schrok ik mij toch een hoedje van zijn verering van Peter Sagan in Het Laatste Nieuws van zaterdag 3 augustus.
Michel opende met de vraag of Sagan de lofrede van Erik Zabel gelezen had? Allicht niet, maar indien toch, wat is die wierook waard? De Duitser zou oerstom geweest zijn indien hij de verbetering van zes naar zeven groene truien als een fait divers had omschreven, hij zou er zichzelf mee geblameerd hebben en het dus liever oplijsten met “dat record aan de compleetste renner van het decennium afstaan is een hele eer"hij vervolgt met "Regels om Peter van meer groen te houden bestaan niet." Wuyts beaamt het, ik niet! Sagan dankt zijn groen vooral aan overgewaardeerde tussensprinten (waarvoor de andere sprinters zich amper oplaadden). Het zou veel spannender en exacter zijn indien men de groene trui uitreikte op basis van een plaatsenklassement (één plaats voor de eerste, … vijftig voor de vijftigste, …) zoals van 1953 tot en met 1958. Dat bekroonde Fritz Schaer(1953), Ferdi Kübler (1954), Stan Ockers(1955 en 1956), Jean Forestier(1957) en Jean Graczyk (1958), stuk voor stuk of allroundersdie ook een fraai tijdklassement behaalden en aan wie Sagan dus hoegenaamd niet kan tippen zoals Julian Alaphilippe wel. 
Zoals voor het geel èlke seconde telt, zo zou voor het groen ook èlke plaats moeten tellen. Sagan zou er niet helemaal kansloos door zijn maar het zou veel meer moeite hebben gekost zonder wheelies en wars van aanwezigheden “in de bus”.
En toch volhardt Wuyts in zijn idiolatrie:  "Sagans trui komt van een superieure planeet. Gele jongens verbleken naast de groene Slovaak. Als Sagan dat wil, klimt dat record van zeven naar tien.”
"Gele jongens verbleken naast de groene Slovaak": vanwaar haalt Michel het? Hij vraagt zich gelijk af “of Peter dat wel wil en of hij de Tourhetze niet grondig beu is en of hij nog langer kan leven in dat keurslijf van clowneske puntenjager?” Michel leest in Peters blik saturatie, ziet hem op dat podium en proeft tristesse. Sagan is de schijnwerpers grondig beu. Ze hebben hem zijn vrouw, zijn zoontje, zijn vrijheid afgepakt. Wie dooft de lichten van de schijnheiligheid? Ik zie hem met koksmuts op pronken op foto's van Bora en Hansgrohe. Ik weet dat Sagan geen kookplaten en kranen meer kan zien. Na nog zo'n fotosessie kan een mond zelfs geen gekunstelde lach meer produceren.” (einde Wuyts’ bizarre citaat)
Wablief?! Michel werpt zich op als een … vakbondsafgevaardigde tegen de broodheren die zijn idool ‘uitbuiten’ en (sic) ‘onderbetalen’? Mijn wedervraag: kan Peter ook nog overweg met hun tsunami aan euro’s? Hoeveel miljoenen zijn er dat ook weer?
Na teleurstellend voorjaar zou een mail in de box van teammanager Ralph Denkgedropt zijn: "Hoe kan Peter Sagan nog een jaarloon van vier miljoen euro wettigen?" Ondertekend: de sponsors. Wuyts vraagt zich af: “zou Peter ermee gezeten hebben op zijn hoge berg met zijn verloren Katarina in gedachten en na een Facetime-brabbel met zoon Marlon onder het nauwziend oog van bodyguard Uboldi?”
Werden ex en telg er slechter van? Ik dacht van niet en waarover zou hij zich dan druk maken? Hij signeerde liever (… al rijdend !) zijn boek op de Tourmalet. Was dat respect hebben voor de Tour of waande hij zich in … Cirque du Soleil?
Bora-Hansgrohe is kennelijk niet langer gelukkig met zijn peperdure vogel. Hun prijsvriendelijker personeel (Pascal AckermannSam BennettEmanuel BuchmannMaximilian Schachmann,…..) rendeert verhoudingsgewijs beter dan de Slovaak, wiens strapatsenze grondig beu zijn. Ackermann kan hem vervangen als afwerker in de rittenkoersen en het team wil met Buchmann in 2020 zelfs mikken op het gele Tourpodium. Indien Sagan dat met lede ogen zou aanzien dat dan hij dan de vlucht neemt naar de Giro, eventueel in een ander team waarbij hij evenwel zwaar zal moeten inleveren, wat ik hem dus niet zie doen.
Sagan is een topper op zijn terrein: Sanremo, Vlaanderen en Roubaix maar buiten die oevers kan hij niet treden en dus zullen ze in La Doyenneen Il Lombardia geen glimp van hem opvangen. Een topper, dat wel, maar nièt beter dan Johan Museeuw en Tom Boonendoch hoegenaamd géén super zoals Eddy MerckxRoger De Vlaeminck en Rik Van Looydie de vijf monumenten wonnen, wat Hennie KuiperSean Kelly en Philippe Gilbert hen ei zo na nadeden en zo zijn er nog een respectabel aantal meer.
Juist ja: Peter Sagan werd driemaal op een rij wereldkampioen. Een unieke loepzuivere hattrick die hij in hoge mate dankt aan de Belgische ploeg die de koers op slot hield zodat hij zich kon koesteren in de warme buik van het peloton. In Richmond 2015 benutte hij Greg Van Avermaet als springplank naar een eerste regenboogtrui, in Doha  2016 en Bergen 2017 merkte men pas wat van zijn aanwezigheid bij zijn zegevierend overschrijden van de finishlijn. Hij is de Gerd Müller van de koers, zijn goed recht natuurlijk maar laten wij er toch niet meer van maken dan dat.
Peter Sagan mag mij in Yorkshire altijd verrassen met een (zoals op zijn beste dagen in Sanremo, Vlaanderen en Roubaix) spetter van een wereldkampioenschap maar daar heb ik mijn twijfels over want de voortekenen zijn niet bepaald gunstig. Zijn voorbereiding heeft een bizarre inslag. Die start met de EuroEyes Classics Hamburg (25 augustus). Aansluitend is er vanaf 29 augustus de vierdaagse Deutschland Tour, waarvoor hij evenwel niet geselecteerd is. Bora-Hansgrohe wil kennelijk niet dat hij er de thuisrenners Pascal Achermann(dagzeges) en Maximilian Schachmann(klassement) voor de voeten rijdt. Hij snijdt wel het Canadese weekend aan (Quebec op vrijdag de dertiende en Montreal twee dagen later), waarna hij naar het oude continent terugkeert en meer bepaald naar Vlaams-Brabant voor deelname aan de Primus Classic Impanis-Van Petegem (1.HC) en ook nog de Gooikse Pijl (1.1), twee weekends vòòr het wereldkampioenschap. Niks mis mee ware het niet dat Sagannekedit seizoen, behoudens de Vuelta a San Juan (Arg. 2.1), nog géén enkele koers buiten de WorldTour - circuit heeft gereden. Zijn Vlaams-Brabants ommetje heeft dus iets van een strafexpeditie, al zal niet elke Vlaams-Brabander er zo over denken.




Felice Gimondi was Coppiaans halfweg
de jaren zestig en dan kwam Eddy Merckx

Wat héél goed is, komt héél snel. 
Toch was de Bergamask al bijna 22 jaar toen hij in 1964 de Tour de l’Avenir won. Zes weken later won de amper 19-jarige Eddy Merckx het loodzware wereldkampioenschap in Sallanches-Passy, waar Gimondi bleef steken op de 26steplaats. Weer zeven weken verder trok de kakelverse wereldkampioen in de Olympische wegrit de kaart van de snellere Walter Godefroot die in Hachioji (Tokio) brons veroverde. Merckx werd er nog twaalfde, Gimondi anoniem 26ste. Hoewel twee jaar en negen maanden jonger leek Eddy dan al aardig wat voorsprong te hebben op Felice, wiens Franse triomf al tussen de plooien van de vergetelheid was beland maar in de lente van 1965 meteen weer opgehaald na zijn tweede plaats (na Roberto Poggiali) in La Flèche Wallonne, waarin Merckx een operkelijk profdebuut maakte tot hij op dertien kilometer van de finish afstapte. 
Gimondi’s dichtste ereplaats leverde een selectie op voor de Giro om te knechten voor zijn meer  beslagenkopman Vittorio Adorni, die na vijfde, tweede en vierde plaatsen eindelijk won. Straf dat modelhelper Felice de derde eindplaats in de wacht sleepte om zestien dagen later als last minute ook aan te zetten in de Tour om er op de derde dag in Rouen (de thuishaven van Jacques Anquetil) een eerste dagzege te behalen en een eerste gele trui te veroveren. Dat kleinood zou hij, in weerwil van de al op de negende dag abdicerende Adorni, niet meer afstaan.
In 1966 meende Gimondi iets anders te moeten verzinnen om even spraakmakend te zijn of was het onder het motto ‘verandering van spijs doet eten’? Feit was dat hij zich, in plaats van op de grote ronden, op de grote ééndagskoersen focuste. In Paris-Roubaix schudde hij op de nijdige helling in Mons-en-Pévèle zijn laatste aanklampers (onder wie Jaak De Boever) van zich af en zette een solo van ruim veertig kilometer op die hem minstens vier minuten eerder dan alle anderen de roze piste van Roubaix liet oprijden. Het viel hem te beurt zestien jaar na Fausto Coppi, die in 1950 met 2’41” voorsprong won en vijftien jaar na Antono Bevilacqua, de regérende wereldkampioen achtervolging die anderhalve minuut wegreed van Louison Bobet en Rik Van Steenbergen.
Gimondi zette de volgende zondag ook Paris-Brussel naar zijn pedalen met opnieuw kasseien (die van Mont-Saint-Pont nabij Braine-l’Alleud) als hoekstenen. Bizar dat hij aansluitend niet tot zijn recht kwam in de Ardense klassiekers. In Liège-Bastogne-Liège zou hij trouwens nooit dichter eindigen dan de zevende plaats (in 1969), de enige lacune op zijn palmares. Op het einde van het seizoen 1966 won hij wel Il Lombardia nadat Adorni hem, op de rand van het toelaatbare, de zegepas had afgesneden. Twee en een half jaar later haalde hij ook het podium van de hem minder genegen Ronde van Vlaanderen maar in Merelbeke arriveerde hij wel … 5’36” later dan Merckx, die een heroïsche solo van zeventig kilometer (vanaf Vollezele) bekroonde.
Wat Gimondi halfweg de jaren zestig voor het voetblicht bracht, was Coppiaansmaar van korte duur. Hij won in 1967 weliswaar zijn eerste Giro maar dat dankte hij in aanzienlijke mate aan het monstercoalitie waarmee men de geïsoleerde Jacques Anquetil van zijn sokkel stootte. In 1968 won hij zuinig de Vuelta en werd na Anquetil de tweede coureur die de grote ronden op zijn palmares bijschreef. Slechts vijf anderen zouden het Jacques en Felice nadoen: Eddy Merckx, Bernard HinaultMiguel IndurainVincenzo Nibali en Chris Froome.
Een maand later werd Gimondi niet enkel op de Tre Cime di Lavaredo weggezet door Eddy Merckx, wiens lockout hem in 1969 aardig van pas kwam om de Giro voor de tweede keer te winnen. En daarna begon Merckx’ recital in de Tour, dat hij in 1970, 1972 en 1974 oplijstte met een voorafgaande triomf in de Giro. Drie doublés waarvan Gimondi enkel maar kon van dromen. Tussendoor hakte Eddy het er in 1971 nog eens extra in door in Mendrisio (op amper zeventig kilometer van Bergamo) wereldkampioen te worden.
Gimondi was evenwel niet uitgeteld, hij was ontegensprekelijk the second best van zijn generatie. In ook al favoriete omstandigheden (Johan De Muynck was de beste maar werd schandalig aan zijn lot overgelaten door de eigen Brooklyn-crew) won hij de Giro een derde keer in 1976. De genereuze Gimondi hield er een dubbel gevoel aan over en was twee jaar later hemels blij dat hij de naar Bianchi overgekomen De Muynck aan de eindzege kon helpen die hem al in 1976 toekwam.
In het klassement van de Tour kon Gimondi Merckx niet meer in verlegenheid brengen, al was hij in 1975 wel de eerste die de ineenstortende Eddy op weg naar Pra-Loup als eerste passeerde, wat de eindzege van de kort volgende Bernard Thévenetinluidde. Het was de enige keer dat Felice een positief urinestaal afleverde. Hij kreeg een boetevan 1000 Zwitserse frank, werd een maand voorwaardelijk geschorst, naar de laatste plaats in de daguitslag verbannen en kreeg een tijdstraf van tien minuten aangerekend, waardoor hij in het algemeen klassement van de vierde naar de vijfde plaats terugzakte.

Voor het geheel van zijn illuster palmares verdiende Felice Gimondi minstens één regenboogtrui. Die viel hem bizar in de schoot in Barcelona 1973. Freddy Maertensen Eddy Merckx reden op de Montjuich van de anderen weg maar ijlden nièt samen naar de finish. Dat luidde de terugkeer in van Felice Gimondi en Luis Ocanain. Freddy fungeerde als leadoutvoor Eddy, die evenwel blokkeerde zodat Felice de regenboogtrui naar zich toetrok. Deze ontwikkeling werd ook omschreven als de clash der fietsonderdelen Campagnolo en Shimano. Indien Freddy wereldkampioen was geworden dan zou de Japanse constructeur dat wereldwijd uitvergroot hebben, waarbij Campagnolo zijn positie van marktleider er bij hebben ingeschoten. Ook die belangen speelden mee in de onverkwikkelijke ontwikkeling van het WK van 1973. 
Wereldkampioen worden, dat had Gimondi al vier jaar eerder willen bewerkstelligen. Hij probeerde zijn invloeden aan te wenden maar in Leicester 1970 was Jean-Pierre Monseréniet te vermurwen. Felice werd ongekend gecounterd maar uitte geen hard feelingsten opzichte van de 21-jarige Roeselarenaar, wel integendeel.
Er restte Gimondi nog één enkele verzuchting: Milano-Sanremo, een veronderstelde mission impossible die hij toch voor mekaar kreeg. Als regérend wereldkampioen kon hij in eigen land nòg meer invloeden aanwenden. Hij zette in de zone van de Capi een straffe solo op, hoewel: wanneer men beziet dat Eric Leman, de niet-aanvaller, twee minuten na hem tweede werd, geschaduwd door Franco Bitossi en Roger De Vlaeminck, dan kan men daar bijna uit afleiden dat Gimondi weinig in de weg werd gelegd en het werd ook à la Michele Dancelli in 1970 (achter de motoren?) weinig in beeld gebracht.
Felice Gimondi was een seigneur met aristocratische trekjes die niet koketteerde met zijn status. Eén enkele keer tierde hij onvertogen woorden: in 1972 toen Frans Verbeeck hem aan het eind van Gent-Wevelgem de zegepas afsneed. Verbeeck werd gedeclasseerd maar Roger Swertswerd de bevoordeelde derde hond
Felice Gimondi maakt deel uit van de absolute toptien van de naoorlogse periode. In de Giro was hij drie eindoverwinningen, twee tweede, vier derde, één vijfde, zevende en achtste plaatsen de best prestérende ciclista.
Ook als mens scheerde de buizerd van Bergamohoge toppen. Behalve Johan De Muynck kenden ook Walter Godefroot, Tony Houbrechts, Guido Reybrouck, Georges Van den BergheAlexen Rik Van LindenWilly In ’t Venen Wilfried Reybrouck het genoegen hem als vorstelijk vergoedende kopman mee te maken. 


Rennersvakbond CPA heeft, behalve de BinckBank Tour, nog andere katten te geselen 

De Rennersvakbond CPA breekt een lans voor de veiligheid van de renners die volgens hen met de voeten werd getreden in de BinckBank Tour en dus niet thuishoort in de World Tour. Met welk recht spreekt voorzitter Gianni Bugno deze “executie zonder vonnis” uit?
Overigens heeft koersdirecteur Rob Discart even alert als gepast gereageerd: hij neemt Tom Steels en Greg Van Avermaet onder de arm om inschattingsfouten te anticiperen. 

De veiligheid van de renners moet inderdaad een absolute prioriteit zijn maar waarom viseert CPA nu plots (zij het niet helemaal ten onrechte) die ene koers? Hebben wij die sluimerend? instantie in het voorjaar gehoord toen Flanders Classic het gretige peloton langs smalle en gevaarlijke paden stuurde. Ook Paris-Roubaix blijkt een heilig huisje waaraan niet mag geraakt worden. Aan de almacht van de ASO durven ze niet te tornen. Overigens: nog iets gehoord van het incident waarbij Wout Van Aert bij het (te) scherp afsnijden van een bocht waarbij hij bleefhaken aan het slecht geplaatste hekken aan de rand van de weg? Néén, want CPA weet dat deze door ASO zouden weggelachen worden en dus gaan ze liever wild tekeer tegen een kleinere organisatie als Golazo.
Het kan niet genoeg herhaald worden dat de veiligheid van de renners een absolute prioriteit moet zijn maar ik kan niet buiten de vaststelling dat de meeste valpartijen zich situeren op plaatsen waar je het niet zou verwachten. 
Er moet dus een interne oorzaak zijn: de ‘ondraaglijke’ lichtheid van de fietsen (die bij het minste contact tot brekens toe vibreren) en - sorry - de onachtzaamheid à roekeloosheid van de coureurs in het algemeen. Op gevaarlijke plaatsen doen zich - en gelukkig maar - zelden valpartijen voor, een contradictio in terminis.

Ach, de CPA; wat is hun bestaansreden? Ik wil graag vernemen wat hun clubje al heeft gerealiseerd? Waarom zetten zij zich bijvoorbeeld niet af tegen de Europese kampioenschappen in Alkmaar, waar het peloton zowaar meermaals door de winkelstraten werd geloodst? Overigens was de datumkeuze zo stom als maar kon: twee weken na de Tour waardoor San Sebastian en Londen in hetzelfde weekend moesten georganiseerd worden met aansluitend de Ronde van Polen en onmiddellijk daarop de BinckBank Tour. Pure waanzin waarop CPA geen aanmerkingen had.
Overigens telt de Heilige Graal van de WorldTour niet minder dan 180 (!) koersdagen. Half januari begint het al in Australië (Down Under & Cadel Evans) en daar kunnen de heropgeladen teams zich nog enigszins vinden. Maar dat ze half oktober nog een “ommetje” naar China mogen/moeten maken voor de Tour of Guangxi, dat tart toch elke verbeelding maar kennelijk niet die van CPA.
Vrijwel àlle WordTour - manches worden (inzonderheid door EuroSport) in de huiskamer gecapteerd maar in welke mate worden de hoofdrolspelen (de renners en hun sponsors) daar beter van?
Néén, ze zijn inderdaad niet slecht betaald maar in vergelijking met het voetbal, het tennis en de Formule 1 zijn het armoezaaiers. Is het dààr tegen in gaan niet de core business van de CPA in plaats van zich ‘keeping up apprearances’ te bezondigen aan verbaal spierballen rollen richting goedmenende inrichters van een prachtige Belgisch-Nederlandse rittenkoers met een meeslepend verloop en dito ontknoping?




woensdag 30 april 2014

Michael Barry weet ook wel dat winnen een onderneming is
Michael Barry verzorgt de publiciteit rond zijn op 1 mei te verschijnen autobiografie uitstekend. Eerder getuigde hij tegen Lance Armstrong en deed hij een boekje open over het gebruik van Tramadol bij Team Sky, nu refereert hij naar een passage aan de Ronde van Vlaanderen van 2006.
Barry was in 2006 een teamgenoot van Leif Hoste, die dat jaar na Tom Boonen tweede werd in Vlaanderens Mooiste. Zelf moest de renner van Discovery Channel die koers al snel verlaten na een val. Barry volgde de finale vanuit het ziekenhuis in Roeselare, maar wat hij daar zag deed zogezegd zijn wenkbrauwen fronsen. Leif Hoste viel aan en kreeg Tom Boonen als gezel.De twee werkten uitstekend samen en praatten even met elkaar en met hun respectieve ploegleider. Barry leidt daar een deal uit af, waarmee George Hincapie buitenspel gezet werd. Het is evenwel niet abnormaal dat er in die situatie gesproken wordt. De afspraak was dat Hoste niet zou meewerken indien Hincapie "op komst" zou zijn, maar dat was niet het geval. De dichtste ereplaats was dus het hoogst haalbare plaats voor Discovery Channel, dat maar al te graag visibiliteit op het podium wilde. Heel normaal dus dat Leif Hoste met Tom Boonen meewerkte en dat er gesproken werd. Of het ook over geld ging? Dat kan. Het is toch normaal dat Hoste tegemoetgekomen werd voor zijn steun aan Boonen, die als betere finisher vrijwel zegezeker was. Hij had evenwel de steun van Leif nodig om uit de greep van de achtervolgers te blijven. Mocht Hoste dan niet de lachende tweede zijn?
Het is een geplogenheid in elke ontsnapping dat de meest kansrijke coureur steun zoekt bij een medevluchter die nagenoeg kansloos is. In een ontsnapping met twee is de afspraak nog simpeler: de winnaar betaalt de verliezer zoveel wat includeert dat beiden vrijuit mogen spurten voor de overwinning.
In die optiek vond ik de analyse van de Olympische wegrit in Londen 2012 zo onnozel als maar kon. Denk je dat Rigoberto Uran, indien hij de Olympische titel kon pakken, voor veel geld zou hebben laten liggen door de andere kant op te kijken? Alexandre Vinokourov had gewoon meer reserves en Uran was compensaties beloofd voor zijn medewerking in de ontsnapping. Zoals Hoste in de Ronde van Vlaanderen 2006. Behalve in een tijdrit doe je winnen nooit alleen, winnen is een ... onderneming. En dat weet Michael Barry ook wel maar die "wetenschap" zou de verkoop van zijn autobiografie niet gediend hebben.

zondag 27 april 2014

Alejandro Valverde schuift door naar rang drie in de allertijdse ranking van Liège-Bastogne-Liège

Ranking op basis van 125 75 50 40 30 25 20 15 10 5 ptn. aan de respectieve eerste 10 van elk jaar:

• Eddy Merckx 815 p. 
(8. in 1966, 2. in 1967, 1. in 1969, 3. in 1970, 1. in 1971, 1. in 1972, 1. in 1973, 1. in 1974, 6. in 1976, 6. in 1977);
• Moreno Argentin 555 p. 
(1. in 1985, 1. in 1986, 1. in 1987, 6. in 1990, 1. in 1991, 5. in 1993);
• Alejandro Valverde 500 p. (1. in 2006, 2. in 2007, 1. in 2008, 3. in 2010, 3. in 2013, 2. in 2014);
• Paolo Bettini 445 p. 
(5. in 1999, 1. in 2000, 1. in 2002, 4. in 2005, 2. in 2006, 4. in 2007, 9. in 2008); 
• Davide Rebellin 415 p. 
(3. in 2000, 2. in 2001, 9. in 2002, 1. in 2004, 5. in 2007, 2. in 2008, 3. in 2009);
• Steven Rooks 385 p. 
(1. in 1983, 4. in 1984, 10. in 1985, 5. in 1986, 4. in 1988, 6. in 1989, 3. in 1990, 2. in 1992, 10. in 1993);
• Fred De Bruyne 375 p. (1. in 1956, 1. in 1958, 1. in 1959); 
• Michael Boogerd 365 p. 
(5. in 1998, 2. in 1999, 5. in 2001, 3. in 2003, 2. in 2004, 3. in 2005, 5. in 2006, 6. in 2007);
• Michele Bartoli 340 p. (3. in 1995, 1. in 1997, 1. in 1998, 4. in 1999);
• Walter Godefroot 340 p. (4. in 1966, 1. in 1967, 2 in 1968, 3. in 1973, 3. in 1975);
• Raymond Impanis 335 p. (2. in 1947, 2. in 1948, 10. in 1953, 2. in 1954, 2. in 1955, 5. in 1958);
• Frans Verbeeck 330 p. 
(8. in 1969, 2. in 1970, 3. in 1971, 2. in 1973, 10. in 1974, 4. in 1975, 3. in 1976, 7. in 1977);
• Bernard Hinault 325 p. (1. in 1977, 2. in 1979, 1. in 1980);
• Sean Kelly 325 p. (10. in 1982, 1. in 1984, 4. in 1985, 5. in 1988, 1. in 1989);
• Alexandre Vinokourov 325 p. (7. in 2000, 10. in 2002, 3. in 2004, 1. in 2005, 1. in 2010);
• Claude Criqiuielion 300 p. (4. in 1982, 7. in 1984, 2. in 1985, 4. in 1986, 3. in 1987, 2. in 1991);
• Ferdi Kübler 300 p. (1. in 1951, 1. in 1952, 3. in 1954);
• Joseph Bruyère 275 p. (7. in 1971, 1. in 1976, 10. in 1977, 1. in 1978);
• Louis Mottiat 275 p. (6. in 1912, 1. in 1921, 1. in 1922);
• Georges Pintens 275 p. (5. in 1970, 2. in 1971, 5. in 1972, 8. in 1973, 1. in 1974);
• Prosper Depredomme 265 p. (8. in 1943, 1. in 1946, 1. in 1925);
• François Gardier 255 p. (3. in 1930, 1. in 1933, 4. in 1934, 4. in 1935);
• Richard Depoorter 250 p. (1. in 1943, 1. in 1947);
• Jef Planckaert 250 p. (5. in 1957, 3. in 1960, 10. in 1961, 1. in 1962, 4. in 1964);
• Alfons Schepers 250 p. (1. in 1931, 1. in 1935);
• Didi Thurau 250 p. (3. in 1977, 2. in 1978, 1. in 1979);
• René Vermandel 250 p. (1. in 1923, 1. in 1924);
• Philippe Gilbert 240 p. (4. in 2009, 4. in 2010, 1. in 2011, 7. in 2013, 8. in 2014);
• Andy Schleck 240 p. (4. in 2008, 1. in 2009, 6. i 2010, 3. in 2011);
• Adrie van der Poel 220 p. (7. in 1983, 2. in 1986, 1. in 1988);
• Rik Van Looy 215 p. (5. in 1956, 10. in 1958, 4. in 1960, 1. in 1961, 8. in 1962).

vrijdag 25 april 2014

Alejandro Valverde stoot door naar rang negen
in allertijdse ranking La Flèche Wallonne

Ranking op basis van 75 45 30 24 18 15 12 9 6 3 punten aan de respectieve eerste 10 van elk jaar:

• Eddy Merckx 342 p.
(5. in 1969, 1. in 1967, 1. in 1970, 1. in 1972, 2. in 1973, 3. in 1975, 4. in 1976);
• Moreno Argentin 324 p.
(2. in 1985, 10. in 1987, 2. in 1988, 1. in 1990, 1. in 1991, 9. in 1992, 1. in 1975);
• Davide Rebellin 321 p.
(6. in 1995, 10. in 1996, 4. in 2000, 8. in 2001, 1. in 2004, 3. in 2005, 1. in 2007, 6. in 2008, 1. in 2009);
• Marcel Kint 282 p. (2. in 1937, 1. in 1943, 1. in 1944, 1. in 1945, 7. in 1951);
• Claude Criquielion 273 p. (10. in 1981, 1. in 1985, 3. in 1986, 2. in 1987, 1. in 1989, 2. in 1991);
• Frans Verbeeck 261 p. (6. in 1970, 2. in 1971, 3. in 1973, 1. in 1974, 2. in 1975, 2. in 1976);
• Stan Ockers 243 p. (4. in 1947, 2. in 1952, 1. in 1953, 1. in 1955, 4. in 1956, 9. in 1977);
• Ferdi Kübler 240 p.(1. in 1951, 1. in 1952, 1. in 1953, 1. in 1954);
• Alejandro Valverde 141 p. (1. in 2006, 2. in 2007, 7. in 2009, 8. in 2010, 7. in 2013, 1. in 2014);
• Raymond Impanis 198 p.
(2. in 1950, 10. in 1951, 3. in 1952, 5. in 1953, 7. in 1954, 1. in 1957, 6. in 1958);
• Joaquin Rodriguez 189 p. (8. in 2008, 2. in 2010, 2. in 2011, 1. in 2012, 6. in 2013);
• Bernard Hinault 180 p. (1. in 1979, 3. in 1980, 1. in 1983);
• Laurent Jalabert 180 p. (1. in 1992, 1. in 1997, 3. in 2000);
• Giuseppe Saronni 177 p. (2. in 1977, 2. in 1979, 1. in 1980, 7. in 1982);
• André Dierickx 171 p. (9. in 1970, 1. in 1973, 9. in 1974, 1. in 1975, 8. in 1976);
• Pino Cerami 168 p. (9. in 1948, 4. in 1949, 10. in 1956, 1. in 1960, 2. in 1962, 6. in 1963);
• Danilo Di Luca 165 p. (2. in 2004, 1. in 2005, 6. in 2006, 3. in 2007);
• Jean-Claude Leclercq 165 p. (2. in 1986, 2. in 1990, 1. in 1987);
• Joop Zoetemelk 162 p. (4. in 1971, 8. in 1975, 1. in 1976, 7. in 1978, 7. in 1979, 10. in 1980);
• Michele Bartoli 159 p. (7. in 1993, 4. in 1997, 5. in 1998, 1. in 1999, 3. in 2002);
• Rik Van Steenbergen 153 p. (10. in 1955, 1. in 1949, 1. in 1958);
• Maurizio Fondriest 150 p. (1. in 1993, 2. in 1995, 3. in 1996);
• Roger De Vlaeminck 144 p. (6. in 1969, 1. in 1971, 2. in 1974, 9. in 1975, 10. in 1977);
• Cadel Evans 144 p. (9. in 2005, 2. in 2008, 5. in 2009, 1. in 2010);
• Jan Janssen 144 p.  (2. in 1963, 2. in 1964, 4. in 1966, 3. in 1968).
Philippe Gilbert reeds op rang drie 
in de absolute sterren van de Amstel Gold Raas

Ranking op basis van 75 45 30 24 18 15 12 9 6 3 punten aan de respectieve eerste 10 van elk jaar:

• Jan Raas 468 p. 
(2. in 1976, 1. in 1977, 1. in 1978, 1. in 1979, 1. in 1980, 5. in 1981, 1. in 1982, 3. in 1983);
• Michael Boogerd 363 p. 
(4. in 1998, 1. in 1999, 2. in 2000, 9. in 2001, 3. in 2002, 2. in 2003, 2. in 2004, 2. in 2005, 3. in 2006);
• Philippe Gilbert 282 p. (4. in 2009, 1. in 2010, 1. in 2011, 6. in 2012, 5. in 2013, 1. in 2014);
• Joop Zoetemelk 237 p. 
(3. in 1972, 4. in 1973, 6. in 1976, 3. in 1978, 5. in 1979, 2. in 1986, 1. in 1987);
• Davide Rebellin 234 p. 
(5. in 1994, 8. in 2001, 4. in 2003, 1. in 2004, 4. in 2005, 6. in 2006, 2. in 2007, 4. in 2008);
• Gerrie Knetemann 222 p. 
(1. in 1972, 7. in 1975, 2. in 1977, 6. in 1978, 1. in 1985);
• Freddy Maertens 195 p. 
(8. in 1973, 4. in 1974, 2. in 1975, 1. in 1976, 5. in 1977, 4. in 1978);
• Eddy Merckx 195 p. 
(3. in 1969, 8. in 1970, 1. in 1973, 1. in 1975, 9. in 1977);
• Steven Rooks 192 p. 
(10. in 1983, 1. in 1986, 2. in 1987, 2. in 1988, 6. in 1994, 8. in 1995);
• Johan Museeuw 189 p. 
(9. in 1990, 10. in 1991, 2. in 1992, 1. in 1994, 7. in 1995, 3. in 1996, 5. in 2001);
• Danilo Di Luca 159 p. (3. in 2003, 4. in 2004, 1. in 2005, 3. in 2007);
• Frans Verbeeck 153 p. (6. in 1970, 1. in 1971, 7. in 1972, 2. in 1973, 9. in 1976);
• Rolf Järmann 150 p. (1. in 1993, 1. in 1998);
• Sergei Ivanov 144 p. (2. in 2002, 8. in 2004, 10. in 2006, 7. in 2008, 1. in 2009);
• Phil Anderson 141 p. (7. in 1981, 5. in 1982, 1. in 1983, 5. in 1985, 6. in 1987, 10. in 1990);
• Michele Bartoli 135 p. (10. in 1995, 6. in 1997, 3. in 1998, 7. in 2001, 1. in 2002);
• Fränk Schleck 135 p. (2. in 2006, 10. in 2007, 2. in 2008, 7. in 2010);
• Lance Armstrong 123 p. (2. in 1999, 2. in 2001, 4. in 2002, 8. in 2003);
• Adrie van der Poel 123 p. (8. in 1982, 6. in 1986, 9. in 1987, 10. in 1989, 1. in 1990, 6. in 1993)
• Enrico Gasparotto 120 p. (3. in 2010, 1. in 2012, 9. in 2013, 8. in 2014);
• Walter Planckaert 120 p. (1. in 1972, 2. in 1974);