woensdag 25 november 2020

Illustere wielerploegen

TI-RALEIGH en PANASONIC

 

Het fé-no-méén

Peter POST

 

… de geestelijke vader van het totaalwielrennen

 

Peter Post, een boomlange Amsterdamse slagerszoon, was een uitmuntende coureur. Hij was niet voor één koersgat te vangen want als oorspronkelijke pistier (vice-wereldkampioen achtervolging in 1963, wereldrecordhouder achter de derny, winnaar van 65 zesdaagsen) verlegde hij vanaf 1960 de focus naar de weg. Hij won hij in 1964 Paris-Roubaix van regérend wereldkampioen Benoni Beheyt.Ook de beperkte hoogtemeters kon hij aan, anders was hij geen tweemaal derde (in 1963 en 1964) en tweede (na Eddy Merckx in 1967) geworden in La Flèche Wallonne.

Na zijn carrière als renner stortte Peter zich op de horeca door in ‘zijn’ Amstelveen een bowling annex kiprestaurant te runnen en eigenaar te worden van andere restaurants. Toen zijn bowling in eind april 1973 afbrandde, maakte hij zijn comeback in de wielrennerij met TI-Raleigh als uitvalsbasis. Na een bescheiden begin in 1974 bracht Roy Schuiten (die tweemaal op een rij de G.P. des Nations won maar faalde voor het werelduurrecord) één en ander in stroomversnelling. Het team won jaar na jaar aan kwaliteit en werd gaandeweg top of the bill. De bruin-rode garde won vrijwel alles met de Tourzege van Joop Zoetemelk in 1980 als kroonluchter.

Na 1983 leek het tij om te slaan. TI-Raleigh zette er oververzadigd een punt achter zette en met Jan Raas bleek een verdere samenwerking onmogelijk. De Zeeuw begon met enkele soulmates aan een nieuw project met Kwantum Hallen. Lang kon hij daar als coureur niet van genieten, een zware val in de afzink van de Cipressa markeerde zijn einde als coureur, hij werd meteen ploegleider. 

Ook Peter Post had onderwijl niet stilgezeten. Nederland telde voldoende talentvolle coureurs, opgelijst met complementaire buitenlanders, voor twéé topploegen. Panasonic zorgde voor een solide financiële inbreng. Peter wilde met hen even goed doen als met TI-Raleigh en daar slaagde hij, zelfs zonder Tourzege, ook in.

Eén van zijn merkwaardigste realisaties was het monopoliseren van de ploegentijdritten. Zijn discipelen wonnen er in de Tour een vol dozijn van: negen met TI-Raleigh en drie met Panasonic. Jammer dat er in dat hun tijdvak geen WK ploegentijdrit bestond, ze zouden er in gegrossierd hebben. Voor een team zijn dit de mooiste overwinningen die er kunnen bestaan.

 

Aan 10 jaar Raleigh (1974-1983) en 9 jaar (1984-1992) Panasonic probeerde Post nog een vervolg te breien met Novemail-Histor dat slechts een afkooksel was van wat eraan voorafging zodat Peter in 1995 op zijn 61ste de eer aan zichzelf hield.

 

Peter Post, die begin 2011 op 77-jarige leeftijd overleed, was een intrigend persoon. Waar hij verscheen, vulde hij letterlijk en figuurlijk de kamer. Je mocht hem, zoals Rinus Michels van het totaalvoetbal, als de geestelijke vader van het totaalwielrennen opvoeren. Niemand die hem daarin ooit nog naar de kroon zou steken maar dat was zonder de waard - Patrick Lefevere gerekend. Die is met Quick.Step alleen al reeds 18 jaar aan de slag en hij zal bij leven en welzijn de kaap van twintig ronden en daar ging nog meer dan aardig wat aan vooraf.

 Illustere wielerploegen 

 PEUGEOT 

met voor vélen de mooiste koerstrui ooit

 

Peugeot (auto’s & fietsen) covert als wielersponsor bijna de hele 20ste eeuw (tot 1986) en won (behalve de Giro) àlle grote koersen en vooral:

10 keer de Tour1905 (Louis Trousselier), 1906 (René Pottier), 1907 en 1908 (Lucien Petit-Breton), 1913 en 1914 (Philippe Thys), 1922 (Firmin Lambot), 1967 (Roger Pingeon), 1975 en 1977 (Bernard Thévenet);

3 keer de Vuelta: 1948 (Bernardo Ruiz), 1969 (Roger Pingeon), 1971 (Ferdinand Bracke);

4 keer Milano-Sanremo: 1907 (Lucien Petit-Breton), 1964 (Tom Simpson), 1966 en 1967 (Eddy Merckx);

• de Ronde van Vlaanderen 1973 (Eric Leman);

6 keer Paris-Roubaix: 1903 en 1904 (Hippolyte Aucouturier), 1907 (Georges Passerieu), 1913 (François Faber), 1960 (Pino Cerami), 1963 (Emile Daems);

Liège-Bastogne-Liège 1949 (Camille Danguillaume);

• 6 keer Paris-Tours: 1906 (Lucien Petit-Breton), 1907 (Georges Passerieu), 1914 (Oscar Egg), 1917 (Philippe Thys), 1951 (Jacques Dupont), 1970 (Jürgen Tschan);

• keer de G.P. des Nations 1949 (Charles Coste), 1962 (Ferdinand Bracke);

• 4 keer de Giro di Lombardia: 1907 (Gustave Garrigou), 1908 (François Faber), 1917 (Philippe Thys), 1951 (Louison Bobet);

• het wereldkampioenschap in 1957 (Rik Van Steenbergen), 1965 (Tom Simpson), 1967 (Eddy Merckx).

Op 30 oktober 1967 verbeterde Ferdinand Bracke met 600 meter het gecontesteerde werelduurrecord van Jacques Anquetil en bracht het op 48,093 kilometer.

 

PEUGEOT bleef tot en met 1986 hoofdsponsor waarna het zich terugtrok. Het bleef in 1987, 1988 en 1989 met te gering succes aan boord als cosponsor van Z, een merk en distributeur van kinderkleding, behorende tot de Franse Groupe Zannier. 

 

Qua visibiliteit was Peugeot een grijze mus tot het vanaf 1963 het lumineuze idee had om een hagelwit shirt te intrdouceren waarop een zwart-wit geblokte baan. Voor velen was dit de mooiste koerstrui ooit, al komt het Italiaanse Carpano (eveneens met wit-zwarte tinten) aardig in de buurt. De rabiate supporters van Rik Van Looy en van Eddy Merckx zullen het bij de trui van Faema respectievelijk Molteni houden. Er waren wel nog meer bloedmooie truien maar nog meer schrééuwelijk lelijke.

Illustere wielerploegen

 

 Mercier-BP-Hutchinson 

… met Raymond Poulidor lang niet 

als het enige vlaggenschip

 

Mercier (fietsen) moet het inzake duurzaamheid afleggen tegen zijn concullega Peugeot maar het had toch ook een zware voetafdruk op het internationale profwielrennen: als hoofdsponsor van 1935 tot en met 1969 en daarna (tot 1983) als cosponsor. 

Antonin Magne is de rode begindraad door het overwegend paarse verhaal, eerst als renner en daarna als ploegleider (van 1945 tot 1969). Meer dan voor de anderen was Antonin de koersvader van Raymond, die inzake vrekkigheid ook veel van zijn mentor opstak.

Poupou was een hondstrouwe soldaat die van 1960 tot en met 1976 onafgebroken voor Mercier reed. Hij kon de Tour niet winnen (wel drie keer tweede en vijfmaal derde) maar zijn exposure en poupoulariteit overstegen dat manco. Hij behaalde voldoende andere grote overwinningen, waarvan de eerste de meeste verrassende was: Milano-Sanremo in 1961! Hij was bijna 25 jaar en niemand buiten Frankrijk die hem al kende. Tegen Jacques Anquetil moest hij het vrijwel keer op keer afleggen en dat leek zich met Eddy Merckx te herhalen. Het was ook dan ook een verrassing van formaat toen op 36ste en 37ste Merckx op deslotdag verschalkte in Paris-Nice. Nog was dat niet het zijn ultieme kunstje want in 1976 stond hij als 40-jarige een achtste keer op het podium van de Tour.

 

Mercier was evenwel nog véél méér dan Raymond Poulidor. Ook andere ronkende namen zetten Mercier in the picture met spraakmakende overwinningen:

• de Tour in 1937 (Roger Lapebie) en 1955 (Louison Bobet);

• de Vuelta in 1964 (Raymond Poulidor), 1965 (Rolf Wolfshohl) en 1979 (Joop Zoetemelk)

• de Giro: Mercier nam er geen enkele keer deel.

18 monumentale klassiekers

• Milano-Sanremo 1954 (Rik Van Steenbergen), 1956 (Fred De Bruyne), 1960 (René Privat), 1961 (Raymond Poulidor);

• Ronde van Vlaanderen 1942 (Briek Schotte), 1944 en 1946 (Rik Van Steenbergen), 1954 (Raymond Impanis), 1955 (Louison Bobet), 1974 (Cees Bal);

• Paris-Roubaix 1943 (Marcel Kint), 1948 en 1952 (Rik Van Steenbergen), 1954 (Raymond Impanis), 1956 (Louison Bobet);

• Liège-Bastogne-Liège 1948 (Maurice Mollin), 1956 (Fred De Bruyne), 1963 (Frans Melckenbeeck);

… en de klassiekers daar net onder: 

• Paris-Tours 1954 (Gilbert Scodeller), 1956 (Albert Bouvet), 1977 en 1979 (Joop Zoetemelk)

• Amstel Gold Race 1974 (Gerrie Knetemann).

Marcel Kint (1938) en Rik Van Steenbergen (1949) zetten Mercier op de regenboogtrui.

In de jaren zestig vormde er zich bij Mercier een Vlaamse enclave met onder anderen Frans Aerenhouts, Frans Melckenbeeck, Jos Schils, Jos Spruyt, Roger Swerts, Willy Vanden Berghen, Vic Van Schil, … 

Frans Melckenbeeck had het na zijn carrière over een voor die tijd vorstelijke vergoeding van 50.000 fr. (1.250 euro) per maand. 

 

Na 1969 loste Mercier de rol als hoofdsponsor. Het liet zich flankeren door Fagor (1970-1972), Gan (1973-1976), Miko (1977-1982) en tenslotte Coop (1983).

Het was het einde van een lange periode, waarin de fietsnaam en de shirtreclame dezelfde waren. 

maandag 23 november 2020

 Hattrick op het WK maar desillusie in Mexico 1968

 Gösta PETTERSSON

 late roeping kwam toch nog op tijd 

 

Oudste van vier Zweedse heemskinderen

 

Hij begint vandaag aan zijn 80ste levensjaar en nam deel aan de Olympische Spelen van Rome 1960, Tokio 1964 en Mexico 1968 en werd pas op zijn 29ste beroepsrenner. Dit moet een Oost-Duitse staatsamateur zijn, denk je dan maar het betreft een Zwééd, ronduit een fe-no-meen!

Als amateur was hij sant in eigen land par excellence met tien individuele titels (vanaf 1962 acht op een rij in de tijdrit, in 1967 en 1969 in de wegrit), hij werd (na Eddy Merckx en Willy Planckaert) derde op het WK in Sallanches 1964 en vijfde op de Nürburgring 1966; zevende in de Olympische wegrit van Tokio 1964 en derde in die van Mexico 1968. De 100 km. ploegentijdrit inspireerde hem nog meer: vijfde in Rome 1960, derde in Sallanches 1964, negende in Lasarte 1965 en zesde in Köln 1966. Daarna versierde hij een hattrick aan wereldtitels: in Heerlen 1967, Imola 1968 en Zolder 1969. Met drie andere Zweden uiteraard maar bovenal met jongere broers Sture (°1942, reeds in 1983 overleden), Erik (°1944, derde in Milano-Sanremo 1971) en Tomas (°1947).

Sowieso waren deze vier heemskinderen ook topfavoriet voor de Olympische 100 km. in Mexico 1968, waar ze evenwel kansloos verslagen werden door het Nederlandse kwartet (Fedor den Hertog, Jan Krekels, René Pijnen en Joop Zoetemelk) dat over elke kilometer gemiddeld bijna één seconde minder deed. Dat hakte er bij de Zweden zo diep in dat ze ondanks hun ‘gevorderde’ leeftijd een jaartje langer amateur bleven.

Vooral van Gösta viel het moeilijk te begrijpen dat hij pas in 1970 inging op een lucratieve aanbieding van Ferretti. Hij viel er met de deur in huis met een zesde plaats in de Giro en zelfs een podiumplek in de Tour na Eddy Merckx en Joop Zoetemelk, ook een debutant maar wel zes jaar jonger. In de herfst won hij de Coppa Sabatini en de Trofeo Baracchi met zijn broer Tomas als sidekick.

1971 kondigde zich nòg béter aan met opeenvolgende tweede plaatsen in Lugano, de Giro di Sardegna, Paris-Nice en een derde rang in Milano-Sanremo (op het podium met Eddy Merckx en Felice Gimondi). Hij kon in absolute gemoedsrust toeleven naar de Giro, waarin hij eveneens het podium beoogde. Hij besteeg er zowaar de hoogste trede nadat hij op weg naar Falcade de dagenlange leider Claudio Michelotto onttroonde. Hij werd in de slotdagen niet meer verontrust en was in de afsluitende tijdrit naar Milano de beste na werelduurrecordhouder Ole Ritter.

Gösta reed aansluitend ook opnieuw de Tour, waarin hij na twee weken uitzicht had op het podium tot hij in de Pyreneeënrit van Revel en Luchon opgaf.

Van dan af was zijn rijk als klassementsrenner uit. In de Tour zag men hem niet meer terug en in de Giro viel hij terug naar de zesde plaats in 1972, opgelijst met een eclatante dagzege in Catanzaro, waar hij het haalde van zijn enige medevluchter Eddy Merckx, met wie hij ruim vier minuten van de anderen wegreed. Ze waren partners in crime die de buit verdeelden: Gösta de dagzege, Eddy la maglia rosa die hij van Jose Manuel Fuente overnam en de basis legde voor zijn derde eindzege. In het klassement zakte Gösta verder weg: 13de in 1973 en 10de in 1974. Wel haalde hij nog het podium van Tirreno-Adriateco 1973 (derde) en van de Tour de Suisse 1974 (tweede na Eddy Merckx). Hij nam in schoonheid afscheid met een vierde plaats in de Volta a Catalunya en een tweede in de Trofeo Baracchi (met ‘Cochise’ Rodriguez als sidekick).

Welk uitpuilend palmares zou Gösta Pettersson uitgebouwd hebben indien hij vijf eerder naar de beroepscategorie was overgestapt? Vreemd dat geen enkel team hem eerder over die streep trok. Hij zal er zijn goede redenen voor gehad hebben, niet in het minst zijn academische studies aan de universiteit van Uppsala.

vrijdag 20 november 2020

 Sven VANTHOURENHOUT    

is de ideale bondscoach


Na het wegsturen van Rik Verbrugghe kon Sven Vanthourenhout in Plouay meteen een stijloefening uitvoeren en de betrokkenen zagen hoe hij dat met bravoure deed. Het moet Belgian Cycling dan al geïnspireerd hebben om daar vanaf 2021 volop mee door te gaan.

Als bondscoach veldrijden en assistent-bondscoach van de weg kent hij het klappen van de zweep. Dat hij op de weg geen enkele internationale overwinning behaalde (wel regionaal gewonnen in Desselgem 2002 en in Westrozebeke 2008) is een voetnoot die bijgesteld wordt door zijn derde en tweede plaatsen in het kampioenschap van België in Vilvoorde 2003 respectievelijk Knokke-Heist 2008. Daarenboven was er meerdere keren een 'net niet' in korte rittenkoersen.

Nòg méér ging daaraan vooraf. Sven schitterde als tweedejaarsjunior in de Oberösterreich Rundfahrt van 1999, waarin hij een dag- en dé eindzege behaalde en waarbij hij zelfs een zekere Fabian Cancellara over de knie legde.

Achteraf is het gemakkelijk praten maar het was altijd mijn inschatting dat Sven had moeten kiezen voor de weg, hij had er de Vlaamse versie kunnen zijn van Zdenek Stybar. De lokroep van Rabobank en Sven Nys was evenwel sterker. Toch bleef ik intuïtief het gevoel hebben dat Sven als veldrijder zijn hoge doelstellingen niet zou halen. Er was ook de manier waarop hij zowaar kerstavond 2004 zijn nog twee seizoenen lopend contract met Quick.Step verbrak en Patrick Lefevere klinisch de rug toekeerde, vond ik allesbehalve. Ik had er zelf véél moeite mee. Zestien jaar later laat hij in Het Laatste Nieuws optekenen dat Patrick voor hem een gedroomde leermeester kan zijn.

Sven Vanthourenhout zal aan de vooravond van zijn 40ste verjaardag (op 14 januari) wel één van de gelukkigste Vlaamse wieleradepten zijn. Hij is géén veldrijder die nu ook bondscoach wordt voor de weg, wel een allrounder met de looks en de guts, de welbespraaktheid, de overtuigingskracht en bovenal de vakkennis om de loods te zijn op de internationale kampioenschappen. Met Wout Van Aert zal het sowieso klikken, Remco Evenepoel wordt misschien een ander paar mouwen.

Belgian Cycling is nog op zoek naar een development coach om Sven te assisteren én om de projecten in verschillende categorieën en disciplines te ondersteunen (klim-, sprint- en tijdritprojecten). Ook hier dient zich de geknipte man aan in de persoon van Serge Pauwels. Het zou mij niet verbazen indien ook zijn aanstelling eerstweeks wordt bekendgemaakt. 

Ex-bondscoach Rik VERBRUGGHE zal beter gedijen bij Israel Start - Up Nation


Het zat er aan te komen, het was zelfs een aangekondigde kroniek dat Rik Verbrugghe 2021 niet zou halen als bondscoach.

Het was een gegeven waarop hij zelf leek te anticiperen door vanaf 1 januari 2021 performance manager te worden bij Israel Start - Up Nation. Een combinatie van beide functies, met mogelijke belangenvermenging, zal hij zelf ook wel niet hebben zien zitten maar het was niet aan hem om daartegen in te gaan. 

Belgian Cycling en Rik Verbrugghe is eigenlijk nooit een goede match geweest en dat hij op het EK de bondsbubbel verliet om met trainingscoördinator Erwin Borgonjon in een belendend restaurant te gaan eten deed er ook geen goed aan om het eufimistisch te stellen. Integendeel, het werd hem zwaar aangerekend. Het leek de gevonden ‘stok’ om de ’hond’ mee te slaan en Rik prompt naar huis te sturen. Het WK in Imola, met tweemaal zilver voor Wout Van Aert, mocht hij nog sturen maar dan zal hij wel beseft hebben dat Belgian Cycling ‘in goede verstandhouding” van hem afscheid zou nemen.

Aan de vakbekwaamheid van Rik Verbrugghe mag anders niet getwijfeld worden. Hij zal zoveel beter gedijen bij Israel Start - Up Nation zoals hij in 2015 en 2016 al deed bij IAM Cycling. Nu kan hij de teamdraad heropnemen bij Israel Start - Up Nation terwijl ik verwachtte dat hij met zijn schoonbroer Greg Van Avermaet zou overstappen naar Ag2R - Citroën, ook al omdat dat team met BMC fietsen zou koersen.   

Rik Verbrugghe mag weten dat ik hem, zelfs al vond ik ‘bepaalde’ (opgedrongen?) selecties een miscast, veel respect toedraag, waarbij ik hoop dat we mekaar de komende jaren nog vrij geregeld ontmoeten. Dat zou immers het welslagen betekenen van zijn zoon Jens (°23 april 2004), die als tweedejaarsnieuweling fraaie dingen liet zien: een vroege overwinning in Villers-le-Temple en na de lockdown ook winst in Moerzeke en Zolder maar bovenal tweede in de Memorial Igor Decraene (een nationale tijdrit) en zesde in het wegkampioenschap in Affligem, waar hij zijn krachtspurt iets te vroeg inzette. Jens koestert ook de hoogtemeters. Als junior zullen deze troeven nog meer tot hun recht komen.

donderdag 19 november 2020

MERCKX ook magistraal zonder de Tour Veropenbarende MAERTENS en POLLENTIER

1973, het absolute gloriejaar 

van het Belgische wielrennen


1973 was cijfermatig hét Belgische wielerjaar bij uitstek met een 440 op 1000, bijna een vierde daarvan werd opgeleverd door Eddy Merckx

 

Alle belangrijke voorjaarskoersen kwamen op naam van de dappersten onder de Galliërs met Eddy Merckx (Omloop Het Volk, Gent-Wevelgem, de Amstel Gold Race, Paris-Roubaix en Liège-Bastogne-Liège) als spilfiguur. Hij was vooral in april outstanding en toch slaagde André Dierickx er in om hem La Flèche Wallonne afhandig te maken, Dré won enkele weken later ook de Meisterschaft von Zürich. 

 

Roger De Vlaeminck vervolgde zijn Italiaanse strooptocht. Hij won, na een tweede keer Tirreno-Adriateco, Milano-Sanremo en kreeg van Brooklyn (kauwgom) een blauwe … Ferrari cadeau die hij, als een vergiftigd geschenk, niet lang behield. In de Giro behaalde hij, zonder paarse puntentrui, drie dagzeges. Ook in het najaar (2de in Paris-Tours en 3de in Il Lombardia) gooide hij hoge ogen.

 

Eric Leman won voor de derde keer in vier jaar de Ronde van Vlaanderen, waarin neoprof Freddy Maertens de beste was maar de beginnersfout beging door de demarrerende Merckx terug te halen, wat hij beter aan de (toen nog) snellere Leman had overgelaten.

 

Willy In ’t Ven (E3 Harelbeke) en Georges Pintens (Rund um den Henninger Turm Frankfurt) vervolledigden het Belgische absolutisme in de lente van 1973, die allermooist eindigde met de geboorte van mijn dochter Els, op wiens geboortedag Eddy 'uiteraard' (de 10de rit in de Giro) won.


Freddy Maertens was, na de Vuelta a Andalucia, aan zijn tweede rittenkoers toe met de Quatre Jours de Dunkerque. Hij ambieerde een dagzege die hij net niet behaalde. Niettemin stond hij op de middag vòòr de afsluitende tijdrit tweede in de tussenstand met 7” meer dan leider Frans Verbeeck. Er stond meer dan wat op het spel en dus zette Freddy zich schrap, won (!) die tijdrit en onttroonde Frans. Van dan af was hij, behalve sprinter en finisher, ook een geducht tijdrijder.

 

Op hetzelfde ogenblik als Freddy Maertens in Dunkerque reveleerde Michel Pollentier in Romandië. Omdat Briek Schotte het niet zag in hem, moest Tjelle tot mei wachten om beroepsrenner te worden. Boss Paul Claeys zag daar weinig graten in. Vader Pollentier had in Keiem een garage en verkocht geen Flandria-fietsen zoals vader Maertens wel deed in Lombardsijde. Michel bleef in de wachtkamer maar toen hij in maart en april bij de liefhebbers al zes koersen had gewonnen kon Flandria niet riskeren dat hij voor een ander team koos. Michel liet het in Romandie niet koud worden, hielp zijn kompaan Wilfried David winnen en werd zelf derde. Hij werd twee maanden later voor de leeuwen gegooid in de Tour, waarin hij David nu aan een dagzege hielp en zich aan het hooggebergte te goed deed met een vijfde plaats in Luchon-Pau, de koninginnenrit van de Pyreneeën. 

 

Eddy Merckx liet de Tour voor één keer varen; hij verkoos om eerst de Vuelta (die in het voorjaar werd gereden) en vervolgens de Giro te rijden én te winnen.

De Tour zonder Merckx bracht een demonstratie van Luis Ocana, die al op de achtste dag in Les Orres een beslissende kloof had geslagen. Hij won zes ritten en de tijdsverschillen namen Merckxiaanse proporties aan.  

Herman Vanspringel redde in die Tour mee de Belgische meubelen: hij reed door Vlaanderen in het geel, werd zesde in het tijdklassement en bovenal de verrassende winnaar van de groene trui. 

Er waren ook de dagzeges van Watney-Maes (in de 12,5 km. ploegentijdrit in Sint-Niklaas), wijlen Eddy Verstraeten, Walter Godefroot (2), Lucien Van Impe en Wilfried David.

 

Dan was er het geruchtmakende wereldkampioenschap in Barcelona/Montjuich, waar Freddy Maertens en Eddy Merckx wat koren op de (Campagnolo-)molen van Felice Gimondi was. Het duurde jaren eer dit uitgepraat werd maar andere opportuniteiten hebben van Freddy en Eddy dikke vrienden gemaakt.

 

Rik Van Linden won voor de tweede keer op een rij Paris-Tours na een koninklijke spurt waarin hij Roger De Vlaeminck, Frans Verbeeck, Eric Leman, … in die orde achter zich liet. Merckx behaalde zijn beste uitslag (zesde) in de enige klassieker die hij nooit zou winnen.

 

Eddy Merckx sloot zijn wonderbaarlijk seizoen af met zijn enige G.P. des Nations (het WK tijdrijden avant-la-lettre) met bijna drie minuten voorsprong op Luis Ocana en Joop Zoetemelk en meer dan vier minuten op Bernard Thévenet. Een week later rondde hij een hattrick in de Giro di Lombardia na een ware demonstratie vanaf de steile klim van Schignano waar ook zijn laatste aanklamper, Roger De Vlaeminck, hem niet meer kon volgen. Eddy begon aan een solo van zestig kilometer die hem ruim vier minuten eerder dan een dozijn anderen in Como bracht. Die overwinning werd hem naderhand ontnomen omdat de medische controle sporen van Mucantyl  (een hoestsiroopje) aantrof.

 

De andere wedstrijden die nu meetellen voor de World Tour:

• Paris-Nice werd voor de tweede keer op een rij verrassend gewonnen door de 37-jarige Raymond Poulidor die op de afsluitende Col d’Eze ruim een halve minuut terugnam op de leidende Eddy Merckx;

• Domingo Perurena (Volta a Catalunya) en Luis Ocana (Al Pais Vasco) waren sant in eigen land;

Spanje was goed aan zet in de korte(re) rittenkoersen want Jose Manuel Fuente haalde het met overwicht in de Tour de Suisse. Hij was zowat de enige die met zijn landgenoot Luis Ocana een beetje gelijke tred kon houden in het hooggebergte van de Tour.

 

Spanje was in 1973 trouwens na België het sterkst prestérende land. Frankrijk (aangevoerd door Bernard Thévenet) en Italië (Felice Gimondi) volgden op respectabele afstand.