donderdag 15 januari 2026

De mééste koersende tieners zijn jonge Helden en worden beslagen volwassenen

 

Moet een youngster vanaf het jaar dat hij als 12-jarige aspirant aantreedt zoveel aandacht krijgen als ik hem geef? Néén, maar het màg want hij zit tenslotte ‘reeds’ in het lager middelbaar van de koers.

 

Vanaf de nieuwelingen krijgt de ‘afgezwaaide’ aspirant een eerste keer te maken met een oudere leeftijdscategorie, het hoger middelbaar van de koers, gebald in twee seizoenen. Van dan af zijn er meer afvallers dan doorzetters.

 

Elke koersende tiener verdient sowieso aandacht omdat hij koos voor het traject met de meeste weerstand. En voor de tussentijdse beteren onder hen: géén verhéérlijking maar appreciatie bij het oppikken van een kleiner of groter stukje 'universiteit van het leven'. Ze moeten zich indekken met de joker van studies of van een valabele opleiding.

 

Velen zijn als mosterdzaadjes geroepen voor het hiernumaals, weinigen voor het hiernamaals van de koers. De meesten die al of niet slagen als coureur zijn fiere bezitters van een bachelor/master of van een kostbare vaardigheid waarmee ze verder kunnen vanaf het begin van hun echte leven. 

 

Decennia geleden waren de zegestanden een recital van dubbele cijfers. 

Zo won Kamiel ‘Rik’ Van Linden in 1968 als tweedejaarsjunior zelfs 74 keer in één seizoen met toen uiteraard veel meer koersdagen, ook tijdens de week. Nu klinkt het zelfs al van bij de jeugd: probeer maar eens één (of meer) koers(en) te winnen.

 

Enkel winnen telt, wat een onzin! Geklopt worden door iemand die bij momentopname al of niet beter is, is een stijloefening voor later wanneer winnen almaar meer voor de happy few zal zijn.

 

Vanaf de nieuwelingen zijn er nog amper kleine koersen, wel integendeel: de meeste wedstrijden hebben een rijk, ja zelfs internationaal deelnemersveld.

Toch moet bij de koersende tieners fun zoveel als mogelijk vooropstaan, fun die op een ernstige wijze beleefd wordt omwille van het vele wat er komt bij kijken aan tijd, moeite en kosten.

Jonge concurrenten zijn geen rivalen maar compagnons de route op een korte of langere weg om mekaar onderling op een aangename wijze beter te maken. 

Winnen is daarin de prettigste (maar vluchtige) bijkomstigheid. 

Wie niet wint is géén verliezer, maar misschien een geklopte op wie meer rek zit dan op zijn overwinnaar. Uitblinken is essentiëler dan winnen voor wie zijn limieten voor zich uit wil schuiven.

Elk seizoen zijn er die out of the blue hun opwachting maken en een perfecte inhaalbeweging uitvoeren ten overstaan van hun overrulers van niet al te lang geleden.

 

Trainen mag geen opgave zijn maar een investering om de intrinsiek betere concurrenten naar de kroon te steken. Indien wel dan bedenkt de jongere beter een andere sport. Sven Nys trainde naar verluidt vrijwel permanent in het rood zodat de competitie als een beloning aanvoelde.

Trainen mag geen last maar moet een lust zijn als het dagelijkse werk van de carrièretijger.

  

Weinig koersende mosterdzaadjes worden stoere bomen, maar de overgrote meerderheid stort al evenmin te pletter op de rotsen van het algemene leven maar komt mentaal sterk ook goed terecht. 


 

 Inventaris 2025 van het nationale tienerwielrennen. Deel 1:

Aspiranten°2013


 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten