dinsdag 19 januari 2021

Jan RAAS en Hennie KUIPER 

verdrongen hem vanaf 1976 …

Jo de ROO

de éérste Nederlandse

koning van de klassiekers

 

Na de eerste helft der jaren zestig van vorige eeuw leek hij voor ééns én voor àltijd de Nederlandse koning der klassiekers tot Hennie Kuiper en Jan Raas, die bovendien wereldkampioen werden, hem een kleine twintig jaar later verdrongen.

Raas en de Roo zijn allebei Zeeuwen die van alle Nederlanders het meest op Vlamingen lijken.

Jo, afkomstig uit Schore (in Zeeland en dus niet te verwarren met de Middelkerkse deelgemeente), was een boerenzoon die door Piet Rentmeester, een twee jaar oudere streekgenoot, aangemoedigd werd. Jo kwam als tiener geregeld naar Vlaanderen om er koerswijsheid op te steken. 

Zo werd hij in 1957 als laatstejaarsamateur na Alfons (opa van Hendrik, Diether en Laurens) Sweeck tweede in Gent-Wevelgem en werd hij na twee dagzeges derde in de Ronde van West-Vlaanderen. Met nog meer waardevolle resultaten daarbovenop wenkte de beroepscategorie. 

Voor het bescheiden Magneet-Vredestein en Middelkamp beperkte hij zich tot de Nederlands criteriums en de Vlaamse kermiskoersen. Meer aanzien kreeg hij met winst in de slotrit der Ronde van Nederland 1958 die aankwam in het Olympisch Stadion van Amsterdam, waar hij het op zijn 21ste haalde van zijn beslagen gezellen Ab Geldermans, Gerrit Schulte, Jef Schils, Raymond Impanis, …

Dat was het scharniermoment om vanaf 1960 bij de Franse ploegen (Helyett-Fynsec en Saint-Raphael) rond Jacques Anquetil, een internationaal programma kreeg af te werken.

Een dag- en de eindzege in de Giro di Sardegna zette al meteen de hogere toon. Aansluitend werd hij achtste in Milano-Sanremo en vijfde in Gent-Wevelgem. Hij had zijn ware bestemming gevonden maar werd gelijk als kanonnenvlees voor de leeuwen gegooid én in de Giro én in de Tour. Hij overleefde er de cols niet en zwoer de dronkemanseed nooit nog naar die terreinen terug te keren.

Jo onderscheidde zich almaar meer in de belangrijkste ééndagkoersen, al brachten het voorjaar van 1961 en 1962 niet helemaal wat hij ervan verwacht had. 

In Bordeaux-Paris (een marathon van 600 km., waarvan de tweede helft gegangmaakt) vatte hij verse moed. Na zijn improvisatie in 1961 (toch zesde op minder dan twee minuten van de ex-winnaars Wim van Est en Louison Bobet maar ruim twee minuten voòr Raymond Poulidor) keerde hij beter voorbereid terug in 1962 en dat mondde uit in een triomf die Saint-Raphael - Helyett verblijdde en hem vrijstelde van de Tour. 

Tijdens een kabbelende zomer laadde hij zich helemaal op voor een eclatant najaar. at rendeerde met winst in Paris-Tours aan 45 km./u, een snelheidsrecord. De zaterdag daarop was zijn opmars in de Giro di Lombardia nòg stràffer. Als niet-klimmer bedwong hij met vallen en opstaan de roemruchte Muro di Sormano alvorens de Italiaanse runners up Adriano Durante en Michele Dancelli in Como te verslaan. 

Na afloop bleek Jo zich ook de eindwinst in de Super Prestige Pernod te hebben toegeëigend. Dat dankte hij aan de ondeskundige puntentoekenning. Zijn drie grote sterk uiteenlopende overwinningen leverden hem (50 + 60 + 60) 170 punten op. Jef Planckaert bleef op 148 eenheden steken: 50 van zijn gewonnen Paris-Nice, 8 van zijn zesde plaats in Vlaanderen, 20 van zijn vierde plaats in Roubaix en 70 van zijn tweede plaats in de Tour. Zijn gewonnen Liège-Bastogne-Liège (één van de vijf monumentale klassiekers) telde zowaar nièt méé zoals wel La Flèche Wallonne alsook godbetert Nice-Genua, de G.P. Stan Ockers en de Giro di Campania. Het is in die dagen dat ik eigen puntensystemen bedacht. 

Jo De Roo deed zijn ‘dubbelslag van de vallende bladeren’ het jaar daarop over. De Ronde van Vlaanderen, waarin hij twaalfde (1961) en tiende (1963) was geworden, werd zijn volgend doel. In 1964 schoof hij op naar de derde plaats. In een ijzige oostenwind verloor hij in Gentbrugge, ruim vier minuten na de triomferende Rudi Altig, de spurt voor de tweede plaats van wereldkampioen Benoni Beheyt. In 1965 was het aan hem. In de Nederlandse driekleur was hij op de verzopen zaterdag 17 april de enige die de losgeslagen Ward Sels (in de Belgische driekleur) na de Kruisberg en de Edelare kon remonteren om de nochtans intrinsiek snellere Kempenaar in een bizarre spurt te verslaan. 

Drie en een halve maand later verlengde de Roo zijn Nederlandse titel die een week de Tour werd uitgereikt zodat het een fabel was dat hij zijn dagzege in Perpignan dankte aan het feit dat de Fransen hem, in hun nationale kleuren, op de bergen geduwd hadden.

Johannes de Roo had na 1965 het beste gehad maar hij won in 1966 toch nog de Belgische openingskoers door zich, na een bandbreuk, met een late uitval uit de voeten te maken voor de vluggerds Walter Godefroot, (de gedeklasseerde) Rik Van Looy, Eddy Merckx en Willy Planckaert. In Vlaanderen en in Roubaix bleef hij steken op de 15de respectievelijk 12de plaats. 

Aansluitend lukte hij in zijn éénmalige Vuelta een voltreffer in Catalayud, waar hij voor Gerben Karstens de spurt zo krachtig aantrok dat die er - verbijsterd - niet meer over geraakte. 

Twee maanden later behaalde hij in Aubenas voor de derde keer op een rij een dagzege in de Tour, op zijn 29ste verjaardag nog wel. Daarna kon hij het zich telkens veroorloven om vervroegd naar de heimat terug te keren. 

 

In 1967 en 1968 was hij bij Willem II, waarin onder anderen ook Peter Post en Rik Van Looy, aan welverdiend uitbollen toe.

Of de Zeeuwse Adonis alles uithaalde wat erin zat? De introverte stylist wilde niet het hele seizoen een vakidioot zijn. In dit tijdvak zou hij ongetwijfeld tot de euromiljonairs van de fiets behoren. 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten