woensdag 8 juli 2026

Naast die van Lucien was 

de zomer van 1976 

evenzeer die van Freddy

 

Omdat het eind deze maand al een halve eeuw geleden zal zijn dat er nog eens landgenoot de Tour de France won krijgt Lucien Van Impe – en hoe terecht – alle mogelijke honneurs toebedacht. Het is onlosmakelijk verbonden met de mooiste zomer die de ouderen onder ons gekend hebben. Die zullen zich evenzeer herinneren dat 1976 niet enkel de zomer maar het hele jaar van Freddy Maertens was.

Freddy had in 1973 als 21-jarige neoprof een wervelende intrede gemaakt in de beroepscategorie met vooral tweede plaatsen in de Ronde van Vlaanderen en het wereldkampioenschap in Montjuïc. In 1974 bleef de bevestiging uit, die kwam er in 1975. Freddy behaalde in Gent-Wevelgem in een ‘koninklijke’ spurt zijn bevrijdende overwinning, elf dagen nadat hij in de Amstel Gold Race de enige was die Eddy Merckx kon volgen. Hoewel intrinsiek beduidend sneller werd hij in hun rechtstreeks duel kansloos verslagen. Dat was zo frustrerend dat Lomme Driessens er tijdens de zomer werd bijgehaald voor een grondige herbronning. Die rendeerde want vijf en halve maand na de Amstel kwamen Merckx en Maertens mekaar weer tegen in Paris-Brussel. Dit keer haalde Freddy het overtuigend van Eddy, een scharniermoment. Naderhand won hij ook Paris-Tours en werd hij vijfde in zijn eerste Giro di Lombardia.

De declic had zich voltrokken. Na een Spartaanse winter 1975-1976 naar de harde hand van Lomme en met Michel Pollentier als compagnon d’entrainement in de duinen en in andere windvelden stond de kwikzilverenMaertens op. Onnoemelijke pech hield hem nog van de zege in een monumentale klassieker. Wel won hij opnieuw Gent-Wevelgem en naderhand ook de Amstel, waaraan hij in één weekend de Rund um den Henninger Turm Frankfurt en het Kampioenschap van Zürich toevoegde. Een derde eindoverwinning in de Quatre Jours de Dunkerque sloot zijn fabuleuze lente af.

Na een maandje relatieve rust hervatte hij in de Tour de Suisse, waarin hij behalve twee dagzeges en de overwinning op punten ook zevende werd in het tijdklassement, waarmee hij bewees de cols tot op mildere hoogte aan te kunnen. Hij was helemaal klaar voor zijn debuut in de Tour, waarin hij een kabinetstuk neerzette. Hij won de proloog, de eerste massaspurt en de 37 km. tijdrit in Le Touquet, waardoor hij in de gele trui België in- en uitreed. Pas op Alpe d’Huez moest hij het kleinood doorgeven aan Lucien Van Impe, waarna hij bleef ijveren voor een goed tijdklassement. Hij werd tenslotte achtste op een dik kwartier van Lucien maar er zat nòg méér in, tot de laagste plaats op het eindpodium toe. In de rit naar Pau had hij kunnen meespringen met de achtervolgers die jacht maakten op de uitgebroken Wladimiro Panizza. Michel Pollentier was hem daarin voor. Freddy won bijna zes minuten later de spurt voor de tiende plaats. In de voorlaatste rit naar Versailles reed hij met Ferdinand Bracke anderhalve minuut voorop tot hij uitschoof. Op eigen houtje werd de werelduurrecordhouder bijgehaald. Freddy behaalde dan maar in de spurt zijn zevende dagzege. ’s Anderendaags won hij ook de korte matinale tijdrit op de Champs Elysées, waar ’s namiddags zijn recordzege wenkte. De vermetele Gerben Karstens snoepte hem die af zodat Freddy het zegerecord bleef delen met Charles Pélissier (1930) en Eddy Merckx (1970 en 1974).

Die onvolkomenheden waren slechts voetnoten in vergelijking met het gigantische persoonlijk leed dat hem in die dagen trof. Pas de zondagavond mocht hij vernemen dat Giovanni (het zevenjarig zoontje van Jean-Pierre) Monseré aan het Sterrebos in Rumbeke, opgeschept door een auto, het leven had gelaten op zijn (zowaar van ‘nonkel’ Freddy gekregen) fietsje terwijl hij een mini replica van de regenboogtrui van zijn eveneens verongelukte papa droeg.

Freddy zette zijn immens verdriet om in adrenaline om op 5 september in het Italiaanse Ostuni (Puglia) wereldkampioen te worden. Hij haalde het in een rechtstreeks duel van zijn medevluchter Francesco Moser. Freddy was niet de kampioen van de wereld van die ene namiddag maar van het hele seizoen. Dat zette hij drie weken later nog wat extra kracht bij door de GP des Nations, het officieuze WK tijdrijden, met afgetekend verschil te winnen. Zijn hegemonie in 1976 nam merckxiaanse proporties aan.

Freddy had bij die magistrale stand van zaken (zoals Roger De Vlaeminckde vlucht vooruit naar Italië moeten nemen, zijn palmares zou aan kwantiteit (en aantal koersdagen) hebben ingeboet maar aan kwaliteit en bovenal verloning gewonnen. Freddy bleef against all odds loyaal waar hij was maar kreeg stank voor dank. Vanaf 1977 werd hij archaïsch uitgeperst als een citroen. De loyauteit was niet wederkerig, niet enkel in die periode zelf maar ook nog decennia later. Ik krijg nog steeds zure oprispingen wanneer ik aan één en ander terugdenk, ook voor anderen kan er niet vaak genoeg aan herinnerd worden. Ik wens Freddy én Carine maximale levensvreugde toe.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten