maandag 30 september 2019

Yorkshire, het Waterloo 
van de gestelde lichamen

Tijdens de slotweek van september 2019 werden in Yorkshire geen andere dan prachtige koersen geserveerd. De apocalyptische omstandigheden waren eerder een méér- dan een minwaarde als de natuurlijke bondgenoten van de beste deelnemers. Enkel de benaming van deze topkoersen en de buitenproportionele barnum waren fout om nog maar te zwijgen van de andere UCI-uitschuivers.
  
Inzonderheid het kroonstuk op zondag in een nog meer verzopen Yorkshire kende een totaal onverwachte ontknoping. Van de favorieten leek enkel Mathieu van der Poel de slijtageslag te overleven tot van het ene moment op het andere zijn fonkelend licht doofde. Hij ontkende een hongerklop en dus blijft slechts één verklarende oorzaak over: in dàt weer kon hij de afstand (nog) niet aan. Vergeet daarbij vooral niet dat Mathieu nog aan geen enkele grote ronde deelnam, zoals zijn elf maanden jongere Mads Pedersen wel al tweemaal (Giro) deed. Dat heeft er ongetwijfeld toe bijgedragen dat hij het zesde koersuur wèl overleefde. 

Na de uittelling van Mathieu van der Poel wenkte een buitenkans voor de beslagen Matteo Trentin. Ook hij zat op de limiet, weet het aan de kou (die ook de anderen overviel) en vond dat hij zichzelf niets te verwijten had. Dat laatste klopt, want het vat kan meer geven wat het bevat en wat betreft prestaties in de monumentale klassiekers is dat bijzonder weinig: een tiende plaats dit jaar in Milano-Sanremo. Zeker voor de 30-jarige Italiaan was het zesde koersuur er teveel aan.

Stefan Küng (bijna 26) en Gianni Moscon (25,5) waren er ook niet vèr van en leken als supertalent eindelijk in een stroomversnelling beland maar blokkeerden. Of ze ooit nog dichter bij de zon komen, is een goede vraag. Aan hun intrinsiek talent zal het alvast nièt liggen dat ze zelfs met deze fraaie ereplaats nog steeds onder de langjarige verwachtingen zijn gebleven.

Het Belgische collectief kreeg de door de media opgeklopte verwachtingen niet ingevuld en moest het van diezelfde pers zwaar ontgelden. Waren de Fransen (Julian Alaphilippe 28ste), de Nederlanders (Niki Terpstra 20ste), de Spanjaarden (de Izagirre’s 9de en 16de) er dan zoveel beter aan toe? En ja, de Italianen telden drie vertegenwoordigers bij de eerste elf maar voelden zich meer verliezers dan winnaars. 

Voor de Belgen zat overigens veel tegen met de dubbele val van de zwaar aangeslagen Philippe Gilbert die door zijn jonge kamergenoot Remco Evenepoel voorbeeldig opgewacht werd en in de aftocht meegesleurd. Anders had Philippe zich minstens gehandhaafd in de buurt van Peter Sagan en Greg Van Avermaet, de enige gestelde lichamen die in Yorkshire overeind bleven maar toch amper voor het podium in aanmerking kwamen. 
Zo zie je maar hoe straf Johan Museeuw in 1996, Tom Boonen in 2005 en Philippe Gilbert in 2012 moeten geweest zijn om hun missie wel tot een triomfantelijk einde te brengen. 

Ook het 85ste wereldkampioenschap heeft, voor zover nog nodig, geïllustreerd dat het uitreiken van de regenboogtrui op één namiddag totaal uit den boze is én altijd zal blijven.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten